Opinie van Peter Swinnen, architect, Vlaams Bouwmeester, 18 july 2013

Impuls voor stedelijke dynamiek

 Impuls voor stedelijke dynamiek
De buurt rond Vanderborght heeft niet nóg een culturele publiekstrekker nodig. Foto: Bart Dewaele
Het Vanderborght-gebouw kan perfect tijdelijk onderdak bieden aan de collectie moderne en hedendaagse kunst, stelt Peter Swinnen. Maar de federale, regionale en stedelijke overheden moeten debatteren over de locatie van een nieuw museum.

Wie? Brusselaar, architect, Vlaams Bouwmeester.

Wat? Het Vanderborght-gebouw is niet geschikt als permantente locatie voor een nieuw museum: vanwege zijn structuur, maar vooral omdat een museum in andere Brusselse buurten veel meer zou kunnen bijdragen aan de broodnodige stadsimpuls.

Afgelopen week ontstond er alweer een hoogtepuntje in het non-debat omtrent een nieuw Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst in Brussel. Het hoogtepuntje was het ongevraagd voorstel van Vlaams parlementslid Yamila Idrissi om een ambitieus museumproject te bouwen langs het Brusselse kanaal (DS 11 juli). Het non-debat bestaat erin dat de federale overheid – ondanks de positieve en kritische druk – van krommenaas blijft gebaren.

In februari 2011 meldde Michel Draguet, directeur bevoegd voor de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, dat het Museum voor Moderne Kunst op de Kunstberg plaats zal ruimen voor een toeristisch aantrekkelijker fin-de-sièclemuseum. Wat er met de collectie moderne en hedendaagse kunst zou gebeuren, was totaal onduidelijk. Geconfronteerd met de publieke en culturele verontwaardiging rond Draguets eenzijdige coup, suggereerde toenmalig bevoegd minister Paul Magnette (PS) een tijdelijke huisvesting in het Vanderborght-gebouw. Met de nadruk op ‘tijdelijk’, omdat Magnette ondertussen een studie wenste te lanceren naar een permanente, stedelijke en uitdagende museale oplossing. Het euvel van de federale culturele instellingen is evenwel een vrijwel permanent machtsvacuüm. De collectie moderne en hedendaagse kunst is immers een federale bevoegdheid, of preciezer: een federale restbevoegdheid. Dat er geen federaal minister of staatssecretaris voor Cultuur bestaat, spreekt boekdelen. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, waar de collectie moderne en hedendaagse kunst onder ressorteert, worden bijgevolg amper politiek aangestuurd. De administratieve lethargie is navenant. Het vrij spel van de curator evenzo. Het machtsvacuüm werd vorig jaar des te groter door het plotselinge vertrek van Magnette richting Charleroi. Zijn opvolger, staatssecretaris Philippe Courard (PS), wenst sindsdien de zaak vooral snel af te handelen. De laatste maanden kon men dus vaststellen dat in de communicatie omtrent het Vanderborght-gebouw, zowel door Draguet als Courard, het woordje ‘tijdelijk’ en stoemelings gesneuveld is. Exit debat.

Schitterend gebouw, maar ongeschikt

Het Vanderborght-gebouw (1935) heeft op zich een schitterende infrastructuur. In 1999 werd het magazijn al flink gerenoveerd met het oog op de Culturele Hoofdstad Brussel 2000, met de ambitie om er vanaf 2002 via een erfpacht het toenmalige Dexia Art Centre te huisvesten. Dat laatste is, zoals gemeenzaam bekend, roemrijk mislukt met als gevolg dat Vanderborght al langer dan een decennium vrijwel ongebruikt blijft.

Het industriële pand leent zich door zijn beperkte lichttoegang, grote vides en moeilijke circulatie niet zomaar tot eender welk programma. Ook de bruikbare oppervlakte, verdeeld over zes verdiepingen, is maar goed voor netto 4.000 vierkante meter exporuimte. Ter vergelijking: het Magritte-museum bedraagt 2.500 vierkante meter, ook al behandelt dit het werk van slechts één kunstenaar. Enkele andere voorbeelden: Tate Modern biedt 33.000 vierkante meter exporuimte, de Schaulager in Bazel is 20.000 vierkante meter groot. Het relatief kleine Vanderborght is bij uitstek een cascogebouw, een structuur die vraagt om tijdelijk ingevuld te worden. Dus ja, waarom er geen deel van de collectie moderne en hedendaagse kunst tijdelijk in onderbrengen.

Maar die tijdelijkheid impliceert een navenant budget en dito inrichtingsconcept. De nu vastgelegde elf miljoen euro en 2017 als opleveringsdatum doen vermoeden dat er van tijdelijkheid geen sprake meer zal zijn. Met slechts een derde van het budget zou je Vanderborght kunnen klaarmaken voor een tijdelijke showcase, in afwachting van een sterke stedelijke oplossing voor de huisvesting van de collectie elders in Brussel. Je zou hier een voorbeeld kunnen nemen aan het Antwerpse KMSKA, dat zich tijdens de renovatie de Fabiolazaal op een uitermate lichte wijze heeft toegeëigend om er ‘de modernen’ te tonen.

Werk voor de Brusselse Bouwmeester

Maar de grootste gemiste kans door al het geld op het beperkte Vanderborght te verwedden, is de stedelijke dynamiek. De buurt rond de Koningsgalerij en de Kunstberg heeft niet nóg een culturele publiekstrekker nodig. Het is er nu al over de koppen lopen. Het Brussels Gewest kent zeker uitdagender buurten – zoals onder meer het kanaal – waar een Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst een noodzakelijke stadsimpuls zou kunnen teweegbrengen. Die enorme kans mag niet zomaar onder de mat geveegd worden.

Maar wie gaat het voortouw nemen in deze processie? De collectie is immers federaal, de stad Brussel wenst terecht ook haar zegje te doen en de stedenbouwkundige ambitie moet minstens het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aanbelangen. Een expliciet tijdelijk gebruik van Vanderborght, operationeel vanaf pakweg eind 2014, kan de noodzakelijke studie- en bouwtijd garanderen om tegen 2020 te beschikken over een museale haven voor moderne en hedendaagse kunst.

Er moet dus absoluut werk gemaakt worden van het uitschrijven van een onafhankelijke studie die het ruimtelijk, economisch, maatschappelijk en bestuurlijk potentieel van een dergelijk museum in Brussel in kaart brengt. Dit is nog nooit terdege gebeurd. Tegelijk moet er een onafhankelijk, visionair en gemandateerd intendant aangewezen worden om de studiesupervisie en het debat in goede banen te leiden. Deze taak komt logischerwijze de Brusselse Bouwmeester toe. Als eerste teken van vertrouwen in een federale, stedelijke en regionale coproductie zou dat kunnen tellen.

Peter Swinnen, De Standaard, Opinies, 18/07/2013  
Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder De Standaard, Non classé, Pers en media

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s