« Pool Kunst » of de ontmanteling van de Koninklijke Musea en van het KIK ?

De musea zijn meer dan simpele cash maker toeristische attracties.

Dit artikel is de versie in het nederlands van : « Pôle art » ou démantèlement des Musées Royaux et de l’IRPA ? Les musées sont plus que de simples attractions touristiques cash maker ; dat door La Tribune de l’Art wordt gepubliceerd.

Het project inzake de fusie van de Koninklijke Musea voor het Schone Kunsten van België, van het Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis en van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium heeft bezorgdheid opgewekt onder de leden van de betrokken instellingen (gekneveld, die het orde hebben ontvangen om elk contact met de media te weigeren), alsook artikelen in de pers en op de blogs, de oprichting van een Facebook-bladzijde en onlangs een “Oproep aan de Federale Overheid” (tweetalig) die door 25 docenten van Belgische en Franse universiteit gelanceerd werd, waarop de Minister Paul Magnette recent heeft geantwoord (1).
(…)
De methode en de terminologie die gebruikt worden om te leiden aan deze noodzakelijke modernisering zijn de punten waarop wij compleet uiteenlopen. De « eenheden of museumentiteiten » bestaan niet. Het gaat om niets anders dan synoniemen van toeristische attracties die, als zodanig, de mode volgen en zullen het van dichtbij moeten doen, om de bezoekers voortdurend aan te trekken. Er zal dus daar ook een voldoende financiering nodig zijn. Het Magritte Museum dat altijd als voorbeeld aangehaald wordt, is het prototype van het vals goed idee. Hij heeft een deel van de zin en van de attractiviteit van het Museum van Moderne Kunsten teruggetrokken, die verplicht is de kunststukken in voorraad te nemen waarvan hij de plaats inneemt, de fondsen en de energie verbruikt die konden dienen voor de valorisatie van het geheel van de Koninklijke Musea van Schone Kunsten. Het zou eveneens uiterst interessant zijn om de jaarlijkse cijfers van de betalende toegangen te kunnen onderzoeken (en niet alleen de gecumuleerde toegangen, evenals die van de financiële kosten en die van de in voorraad gebrachte gehele collecties).Een fundamenteel punt is in de argumenten van de Minister vergeten: de Schone Kunsten, het Jubelparkmuseum, het KIK en het overleden Museum van Moderne Kusten hebben een sterke identiteit. Weliswaar lijdt ze aan een verlies van erkenning, wegens een gebrek aan de nodige investeringen die sinds meer dan tien jaar beloofd en verwacht zijn.
Deze identiteit is niet te verwarren met een « betere afstemming tussen de museumeenheid en de aard van de bewaarde collecties ». Het beheer van een museum en zijn ontwikkeling heeft nooit op dit principe gerust. Integendeel; de meest geslaagde voorbeelden van ontwikkeling rusten allen (internationale en regionale musea) op stevige wetenschappelijke, culturele en commerciële projecten (WCCP), telkens gebouwd op collecties die per natuur divers zijn. Al die musea waaraan ik denk terwijl ik schrijf, trekken een aanzienlijk, zelfs indrukwekkende, aantal bezoekers aan. Ze brengen zo eigen inkomsten voort, maar ook toeristische gevolgen. Het zijn twee elementen, die vandaag duidelijk bevestigt zijn, zeer ver van de kouwelijkheid van onze voorgangers in deze materie. Bovendien, zijn de “oude benamingen” in geen enkel geval een belemmering voor deze verschillende successen, hoewel ze bijna nooit verwijzen naar « een inhoud die de bezoeker terecht mag verwachten ».Alhoewel er een risico van herhaling is, is het enkel een WCCP die het verschil maakt, de bezoekers in de musea aantrekt en hun « kwaliteiten, maar ook hun beperkingen » in het licht brengt. Het is ook diezelfde WCCP die een « beter begrip van de Belgische kunstgeschiedenis » zal garanderen, omdat hij een brede reflectie over de « pedagogie van de presentatievorm » omvat.
(…)Voorts zal deze “thematische presentatie” nooit aan de artiesten, aangehaald door de Minister, die niet vertegenwoordigd zijn in deze collecties, mogelijk zijn erin te komen, rekening houdend met de noteringen op de markt van de kunst (Picasso, Kandinsky, Mondrian, Malevitch, Pollock, Warhol, Friedrich, Turner, Monet, Cézanne, Munch). Onze musea hebben vele andere sterke punten dan die nutteloze “starisatie”.
Deze “thematische presentatie” verbergt in werkelijkheid een ontmanteling van de betrokken Musea, noodzakelijk om deze “museumentiteiten” samen te stellen en een definitieve in voorraad plaatsen van kunstwerken, zonder belang verklaart, of secondair beoordeelt of niet rendabiliseerbaar. Het bewijs wordt ervan gegeven door het sluiten sine die van het Museum van Moderne Kunsten, zonder enkel geloofwaardig project van heropening op korte termijn. Dezelfde retoriek is toegepast op de gebouwen die men laat degraderen, teneinde ze op een moment te kunnen oordelen als zijnde ongeschikt (of ongepast?) of die als museografisch te beschouwen als ouderwets. Dat verhinderd niet, zoals we het recent hebben kunnen vaststellen, om het overleden Museum van Moderne Kunsten opnieuw te gebruiken voor een ander project, waar het gebouw plotseling heel zijn coherentie vindt, wat nochtans enkele maanden geleden streng gekritiseerd werd.
Ik durf op mijn beurt niet de vraag te stellen: binnen welke termijn zullen we in Brussel de heropening zien van het Museum van Moderne Kunsten, op realistische en museale basissen?Uiteindelijk, als het onbetwistbaar is dat de huidige staat van het gebouwd te wijten is aan een « een voortdurende degradatie van de gebouwen waarin renovaties slecht of te laat werden uitgevoerd », moet men benadrukken dat de huidige directie van de Koninklijke Musea van Schone Kunsten sinds 2005 in plaats is, en dat het een beetje kort is de verantwoordelijkheid enkel te verwerpen op de voorgangers of de politiek.Een grote ambitie voor deze drie instellingen in noodzakelijk, dat is onbetwistbaar. Maar zij moet politiek en financieel ondersteund zijn, en ook verwezenlijkt in het kader van de Generale Conferentie van Wenen van 2007.
De droom is eveneens noodzakelijk, maar een van deze dromen waarvan er, als men zich wekt, een indruk van werkelijkheid blijft, om niet realisme te zeggen, des te meer dat het gaat over instellingen die afhankelijk zijn van een politieke context weinig op de hoogte van de werkelijkheid van de musea.
De inzet is eenvoudig: willen we moderne musea, die beheerd worden op eigentijdse, aantrekkelijke wijze, waarvan de bemiddeling aangepast is aan alle soorten publiek of toeristische attracties ?
(1) Het antwoord werd gepubliceerd op de website van de Minister. De citaten van deze tekst zijn  tussen aanhalingstekens.
Gérard de Wallens, blog, 26 november 2012
Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Actualiteit, Gérard de Wallens, blog, Pers en media

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s